Telefilm Kamp Holland 2016
Background articles

Film 'Kamp Holland': Levensecht inkijkje in missie
Defensievakbond WEBSITE

Kamp Holland is een uiterst realistische film over de missie in Uruzgan. Dat is ook te danken aan de inzet van defensiemedewerkers. Zo levensecht waren de voorbereidingen, dat sommige acteurs er zelfs nachtmerries van kregen.

Al vanaf het begin van de telefilm Kamp Holland heb je het gevoel alsof je er zelf bij bent in Uruzgan. Zo realistisch is de entourage, zo geloofwaardig spelen de acteurs. Het verhaal in het kort: als een eenheid in het donker op patrouille gaat ontploft er een bermbom onder een MB (standaard leger jeep) Het gevaar is dan nog niet geweken want er liggen wat Afghanen op de loer, waarschijnlijk Taliban. Als een van hen dichtbij komt, moet korporaal Postma in een split second beslissen of hij zal schieten of niet. Hij schiet, maar had zijn sergeant er nu wel of niet toestemming voor gegeven? Dit voorval zet de onderlinge loyaliteit zwaar onder druk. Kamp Holland schetst hiermee een goede weergave van de enorme impact van een schietincident. En de complexiteit ervan. Het is ook een heftige film. Een Uruzgan-veteraan die meewerkte aan de film vertelde de regisseur dat er serieuze waarschuwing aan PTSS’ers moet worden gegeven: zorg ervoor dat je goed voorbereid bent als je gaat kijken.” Zo realistisch en op de huid gefilmd is Kamp Holland dus.

Hoe te salueren
Met het halve budget van een speelfilm een film maken waar ook Defensie zelf van onder de indruk is, dat is een topprestatie. Allereerst waan je je als kijker echt in Uruzgan, maar bijzonder is ook dat de acteurs overkomen als echte militairen. Hoe kregen regisseur Boris Paval Conen en zijn collega’s dit voor elkaar? Boris: “Ondanks dat ik veel research deed, is de wereld van Defensie niet iets waar je gemakkelijk zicht op krijgt. Hoe ze met elkaar omgaan, hoe ze denken. Normaal vertellen militairen alleen over opvallende dingen, maar niet over het alledaagse. Zoals: hoe salueer je, hoe draag je je wapen, hoe spreek je iemand aan.” Maar daar kwam een lumineuze oplossing voor: een tweedaagse bootcamp. Daar leerden van een echte militaire instructeur, ook een Uruzgan veteraan, hoe te marcheren, hoe een geweer te dragen, en nog veel meer.

Ondergaan
Boris: “Je kunt niet zeggen: ik speel dat ik een soldaat ben. Sommige dingen kun je alleen maar ondergaan; je moet ze voelen.” Een veelzeggend incident speelde zich af toen op een gegeven moment iedereen zijn tas moest inpakken. “Toen er een aantal eerder klaar waren en even gingen chillen, werden ze terechtgewezen. Iedereen was pas klaar als het hele team klaar was.” Dat voorval was bevorderlijk voor de juiste mindset. Hoofdrolspeler Matthijs van de Sande Bakhuijzen die korporaal Postma speelt, ziet er in de film afgetraind uit. Boris: “Hij heeft, net als Laurens van de Akker trouwens (sergeant Mulder) heel wat afgezien. Door hun inzet kregen ze het respect van de militairen.”

Kleipoeder
Ook de entourage werkte goed mee. Van Defensie konden de filmmakers gebruik maken van ‘De verzamelplaats’ aan het Zeisterspoor. Boris: “Alleen al het feit dat we daar überhaupt mochten zijn, op een plek met oude YPR’s, vrachtwagens, jeeps en containers, was geweldig.” De locatie maakte het een stuk makkelijker) om Kamp Holland na te bouwen. Geld hebben we van Defensie niet gekregen, maar zonder Defensie hadden we de film nooit kunnen maken. Want dan hadden we bijvoorbeeld nooit een Bushmaster kunnen laten rijden, en dat was op zich al onwaarschijnlijk mooi. De EOD liet ons verlengde jeeps gebruiken, ook ze bliezen speciaal voor ons een wrak op van het voertuig dat in de film door een bermbom wordt getroffen. Ze gebruikten 2 kilo explosief als equivalent van een bermbom. Het effect was schrikbarend. Het ging ons niet zozeer om de explosie zelf, maar om het resultaat van zo’n bom realistisch weer te kunnen geven. Om het ietwat ‘stoffige’ karakter van Afghanistan na te bootsen werden voertuigen bespoten met kleipoeder. Dat was ook de wijze waarop veel van de voertuigen in Uruzgan hun ‘desert’ kleur kregen."

Aanzuigende werking
Het mooie was dat de opnamen van de film op de locatie aan het Zeisterspoor volgens Boris ‘een aanzuigende werking had op Uruzgan-gangers.’ “Zij begonnen mee te helpen.” En zo gebeurde het dat militair adviseur Tom als adviseur mee naar Spanje ging omdat hij ons zo goed geholpen had met het geven van informatie. Sterker nog, hij nam er verlofdagen voor op. En zo waren er meer militairen die zich in hun vrije tijd hebben ingespannen om van Kamp Holland een levensecht inkijkje in een missie te maken. Dat deden ze door mee te werken of op de set te figureren. “We zijn onder de indruk geraakt van de werkmentaliteit van de soldaten. Het gaat ze om het doel als geheel. Dus niet mutsen, maar recht er voor gaan.”

Mortuarium
Meer en meer werd de set bij het Zeisterspoor een geslaagde nabootsing van de werkelijkheid. Zo werd in een hangar-achtige ruimte waarin een mortuarium was nagebouwd een lijkkist neergezet voor een overleden militair. Boris: “Dat was zó levensecht dat sommige mensen er echt moeite mee hadden.” De film begon steeds meer te leven bij de militairen. Ook achteraf bleken veel militairen de film als zeer realistisch te beschouwen. De viewing voor twee ‘hooggeplaatste militairen’ vond Boris van tevoren best spannend, Ze keken of het leger realistisch neergezet wordt. Ze begonnen na afloop met: ‘Ja Boris, toen we met het script begonnen had jij een voorstelling van hoe de film eruit zou komen te zien.’ Ik dacht toen: oei. Maar ze vervolgden met: ‘Nou, dat is helemaal gelukt.’ Later vertoonden we Kamp Holland in een zaal met bijna 90 man die allemaal bij de film betrokken waren geweest. Hun reactie vond ik nóg belangrijker. Gelukkig waren ze méér dan positief.”

Mazzeltje
Een ander productioneel mazzeltje was de vondst van een set bij Alicante in het zuiden van Spanje, die werd gebruikt voor een in de film – schokkende- patrouille door een Afghaans dorp. Boris: “Deze locatie was speciaal gebouwd voor de bijbelfilm Exodus van regisseur Ridley Scott en kon voor twee dagen worden gehuurd. Het dorp zag er heel realistisch terwijl je aan de achterkant een stalen frame met hout en gips zag.”

Split second
Het idee van de film komt van twee acteurs, Leopold Witte en Geert Lageveen, die zelf overigens niet in Kamp Holland meespelen. Zij hadden het gelijknamige theaterstuk Kamp Holland geschreven (ze zijn zelfs in Kamp Holland - in Uruzgan - geweest als research voor hun theaterstuk), en al doende hoorden ze zoveel verhalen dat er als spin off een idee voor een film ontstond. Boris ging ermee aan de slag voor het script. "Het is een hard, maar ook eerlijk verhaal. Ik wou de werkelijkheid ook niet versimpelen maar vertellen hoeveel consequenties het heeft als er iemand neergeschoten wordt. Ik wilde juist laten zien hoeveel méér complex de werkelijkheid is.” De rules of engagement, zo vervolgt Boris, worden opgesteld door de politiek, maar de praktijk is anders en dat levert een spanningsveld op. Je moet je eigen individualiteit ondergeschikt maken aan de groep. Een beslissing moet je in een split second nemen. Wat moet je doen met je politiek opgelegde opdracht in relatie tot wat mogelijk is? Je kunt niet voor iedere kogel naar Den Haag bellen.”

‘Een oorlogsfilm is een arena’
Telefilm Kamp Holland geeft gevoel bij missie Uruzgan
Tekst Ingmar Kooman
in DEFENSIEKRANT

Kamp Holland is niet de eerste film over de oorlog in Afghanistan. Maar misschien wel de meest realistische. Althans, dat was de insteek van regisseur Boris Paval Conen. Op 22 mei mag televisiekijkend Nederland oordelen. De Defensiekrant sprak met regisseur Conen en hoofdrolspeler Matthijs van de Sande Bakhuyzen.

“Geen soldaatje spelen!” In blokletters stond het bovenaan het regieplan van regisseur Boris Paval Conen. Wat zijn acteurs ook deden, het moest kloppen, legt hij uit. “Mensen spelen vaak het bééld dat ze hebben van de militair. Het moet er stoer uitzien. Maar daarbij vergeten ze één ding: het zijn ook gewoon mensen.”
Gewone mensen in een bijzonder complexe oorlog, ontdekte Conen na gesprekken met Nederlandse Afghanistanveteranen. “De hele opbouwmissie-vechtmissiediscussie had ook mijn beeld gekleurd”, erkent hij. “De realiteit was alles behalve zwart-wit. Het leger voert naar eer en geweten de taken uit die de politiek bedenkt. Maar de complexe ‘rules of engagement’ hebben daarop soms een verlammend effect. Dat laten we in de film ook zien. Een pickup truck met vermoedelijke Talibanstrijders rijdt voorbij. Val je ze aan of niet?”

Arena
Wat doet oorlog met mensen? Dat intrigeert Conen. “Situaties tussen mensen onderling worden heel snel op de spits gedreven. Extreme gebeurtenissen halen bij iedereen alles wat latent onder de oppervlakte sluimert naar boven, zowel in positieve als in negatieve zin. Dat onderscheidt een oorlogsfilm van andere genres. Ook emotioneel is een oorlogsfilm een arena. ”
Defensie hielp de makers bij het bouwen van die arena. Met draaidagen op kazernes, materieel en mankracht. De input die de militairen - gevraagd en ongevraagd - gaven bleek waardevoller dan de Bushmasters en de terreinvoertuigen, vertelt Conen. “Ze waren zo begaan met ons project. Niet alleen de acteurs en ik kregen tips, maar ook de cameraman en de decorbouwers. Zij gaven ons een extra impuls om het verhaal zo goed en integer mogelijk te vertellen.”

Authenticiteit
Een platte actiefilm is Kamp Holland zeker niet. De beleving, het gevoel van oorlog, daar draait het om voor de regisseur. “Wat gebeurt er met een groep na een bermbomaanslag? Je neemt de kijkers mee naar een wereld die ze totaal niet kennen”, legt hij uit. “Het Nederlandse leger heeft heel specifieke procedures en rituelen. De debriefing na een TIC (een gevechtscontact -red.), de rituelen rondom het afscheid van een collega. Die voegen dramatisch heel veel toe aan de film.”
Conen wilde authenticiteit en dat kreeg ‘ie. Af en toe schrok hij van wat dat losmaakte. “Een van de militairen die figureerde in een nagebouwde rouwkamer kon er een nacht niet van slapen.” Lakmoesproef was de voorvertoning aan een groep militairen. “Dat vond ik het allerspannendste”, erkent Conen. “Maar na afloop kregen we ongelofelijk veel complimenten van de Defensiemedewerkers. Blij dat we nu eindelijk een keer hun verhaal vertellen.”

Het verhaal
Tijdens een nachtelijke patrouille rijdt een Nederlands voertuig op een bermbom. In de daaropvolgende chaos ziet korporaal Dylan Postma iemand op de eenheid afrennen. Hij vraagt toestemming om te schieten, maar zijn meerdere antwoordt niet. Postma besluit zelf een dodelijk schot te lossen. Zo brengt hij een kettingreactie op gang die de loyaliteit binnen het team onder  druk zet.

‘Op missie is er geen ruimte voor ego’s’
Matthijs van de Sande Bakhuyzen: “In een oorlogsfilm spelen was wel een soort jongensdroom. Ik ben vrij pacifistisch opgevoed, dus rationeel weet ik: nee, we moeten niet vechten. Maar tegelijkertijd is het ook een oerding. Daarom wilde ik me graag eens in die wereld begeven. Meteen nadat ik hoorde dat ik de rol had, dook ik de sportschool in, 5 dagen per week. Want ik wilde fysiek klaar zijn voor deze rol. Deze jongen moest kracht uitstralen, fysieke autoriteit. Maar de knop ging pas echt om met de bootcamp op een terrein van Defensie. In 2 dagen heb ik zoveel drills aangeleerd. Hoe loop je? Hoe houd je je wapen vast? En de Bushmaster: wat fantastisch ding is dat zeg!  We hebben echt geprobeerd om de complexiteit van de missie in Uruzgan te tonen. Optreden in een wereld waar je niet weet wie de vijand is. Met regels vanuit Den Haag die het nog eens extra complex maken. Mijn personage schiet iemand dood na een bermbomaanslag. Is dat fout? Ga daar maar eens staan in die chaos. Je moet in 5 seconden een beslissing nemen. Nee, ik zal daar niet meer zo snel over oordelen. Het allertofste vond ik het contact met de militairen zelf. Ze hebben me heel veel geleerd over dit werk. Dat zie je ook terug in de film. Als je op missie bent, is er geen ruimte voor ego’s. Geen gelul, je werkt gewoon samen. Op leven en dood ben je broeders. De militairen hebben me een saamhorigheid laten zien die ik in de maatschappij niet vaak tegenkom. Zeker niet in wereld van acteurs. Dat heeft me wel geraakt. Ik voelde me echt verbonden met die gasten. Na de film heb ik er oprecht even over nagedacht of ik niet zelf in het leger zou willen.”

FILMKRANT
20 mei 2016
Door Alex Zwart
"Het leger aan boord hebben scheelde enorm" De Filmkrant interviewt de regisseurs van de Telefilms. Deze week Boris Paval Conen over zijn moderne oorlogsfilm Kamp Holland waarin de zogeheten 'opbouwmissie' in Uruzgan centraal staat. "Er is een ongelofelijk spanningsveld. Enerzijds is er de politiek die deze missie erdoor wilde krijgen. Anderzijds is er de praktijk van jongens en meiden in het veld, die zo een missie vervolgens naar eer en geweten moeten uitvoeren."

Dit is na Exit (2013) en Undercover (2015) jouw derde Telefilm in vier jaar. Wat maakt het voor jou zo een fijne vorm om in te werken?
"Heel simpel. Op het moment dat het script geselecteerd wordt, heb je geld om de film te draaien. Dat is een mega groot voordeel. Een ander groot voordeel is dat het een goed podium biedt voor verhalen die verteld moeten worden maar waar in de bioscoop geen plek voor is. Zowel Exit [over het verzet van uitgeprocedeerde vreemdelingen, AZ] als Kamp Holland zijn films waarbij producenten en distributeurs nauwelijks bezoekers verwachten. Maar ze behandelen wél thema's die op dit moment heel erg leven."

Uit jouw films blijkt wel vaker een passie voor actualiteit en engagement.
"Ik voel me het beste bij verhalen aan de rand van onze maatschappij. Waarvan we allemaal weten dat ze er zijn, maar waar niemand echt van weet hoe en wat er zich afspeelt. Thema's waarvoor ik doorgaans veel moet researchen om ze me eigen te maken. In dit onderwerp zit bijvoorbeeld een ongelofelijk spanningsveld. Enerzijds is er de politiek die deze missie in Uruzgan een 'opbouwmissie' noemde om hem erdoor te krijgen. Anderzijds is er de praktijk van jongens en meiden in het veld, die zo een missie vervolgens naar eer en geweten moeten uitvoeren. Maar in hoeverre kunnen zij daar doen waar ze voor zijn opgeleid? Wat is ons idee van wat zij doen en wat is de realiteit?"

Voor deze film heb je intensief samengewerkt met het leger. Was het moeilijk om die band tot stand te brengen?
"Ik had geluk, toen ze het script hadden gelezen reageerden ze meteen positief. Alle dilemma's waar zij mee worstelen worden in het verhaal uit de doeken gedaan. Natuurlijk waren er ook fragmenten waar ze heel ambivalent tegenover stonden, maar ze gaven toe dat het binnen het geheel van het verhaal kloppend was. Het leger aan boord hebben scheelde enorm. Op uitzondering van drie dagen Spanje hebben we alles gefilmd op het terrein van een militaire kazerne, bij het Zeisterspoor. Vanwege ons beperkte budget vonden we de oplossing op 'de Verzamelplaats', de plek waar al het afgeschreven materiaal staat gestald: van vrachtwagens en trucks tot koptelefoons. Omdat we toch op een kazerne draaiden en we ook echte militairen als figuranten hadden, was de betrokkenheid groot. De een regelde dit voor ons, de ander dat. En als ze dan kwamen kijken tijdens opnames, dan volgden vaak op de set nog correcties. Dan zei iemand: 'Normaal zou een overhemd helemaal dichtgeknoopt zijn.' Zulke details hebben de authenticiteit vergroot."

Als je aan Nederlandse oorlogsfilms denkt, dan denk je vooral aan Tweede Wereldoorlog films. Wat was jouw visuele referentie voor Kamp Holland? Ging je uit van journaalbeelden?
"Nee, helemaal niet. Mijn kennis was gebaseerd op Amerikaanse films. Noem de favorieten maar op, Black Hawk Down, The Hurt Locker. Laatst nog American Sniper, een wat mindere film maar wel heel mooi qua researchmateriaal. In de voorbereiding bleek toen dat Amerikanen heel anders met elkaar omgaan dan Nederlandse soldaten. Ook in het contact met de lokale bevolking. Amerikanen komen aan met spiegelende zonnebrillen, volle bepakking, stralen uit dat ze klaar voor actie zijn. Nederlandse soldaten komen binnen met 'win the hearts and minds'. Achter zulke dingen kom je pas na talloze gesprekken met veteranen en het leger. Daarom vond ik het ook zo belangrijk om het hijsen van een vlag en het eerste appèl van een nieuwe groep te laten zien."

Er zit een mooie diffuse lijn in je film. Het verschil tussen goed en kwaad lijkt zich telkens te verleggen.
"Ja dat boeit me enorm. Ik heb zo veel verhalen over dit onderwerp in mijn hoofd. Ik ga nu ook een Duivels Dilemma [filmreeks van HUMAN over maatschappelijke vraagstukken] maken over hulpverlening aan een crisisgebied in Afrika, en hoe dat in feite conflicten faciliteert. Rebellen profiteren immers net zo goed van de hulpgoederen. Die confrontatie tussen de beoogde doelstelling en de realiteit, die je ook in Kamp Holland ziet, boeit me enorm: je hebt ergens een vooroordeel over, maar hoe dieper je kijkt hoe genuanceerder en complexer de kwestie blijkt te liggen. Als kijker raak je in verwarring. In de overvloed aan interpretaties kom je erachter dat je geen idee meer hebt wat jouw eigen mening is."

Acteur Achmed Akkabi merkte laatst in een interview op dat er relatief veel oorlogsfilms zijn in Nederland. Volgens hem is het tijd dat ook Nederlanders met een andere afkomst hierin vertegenwoordigd worden. Speelde die dwarsdoorsnede van Nederland voor jou mee?
"Ja, per definitie. Ik zou het heel raar vinden als het niet zo was. Als je naar de realiteit kijkt is het ook niet meer dan logisch, want wie gaat er het leger in? Dat zijn niet de mensen uit de grachtengordel: niet de rijke, witte, blanken met een gymnasiumdiploma. Een groot deel van de mensen die het leger in gaan, komen uit de wijken die het moeilijker hebben. In dat plaatje hoort ook grotendeels de tweede/derde generatie Turken en Marokkanen, de vierde generatie Surinamers. Dat beeld kan niet anders dan gekleurd zijn."

PLOT MAGAZINE
28 april 2016, Door Bart Juttmann en Marc Veerkamp
TELEFILMS 2016; RONDETAFELGESPREK OVER DEADLINES, BEPERKINGEN EN KANSEN

Een combinatie van een romcom en heistfilm (Fake), een drama gesitueerd in Volendam (Op de dijk), een oorlogsfilm (Kamp Holland) en nog veel meer. De nieuwe Telefilms die dit voorjaar te zien zijn bij de NPO, tonen aan dat je met beperkte middelen en in relatief korte tijd de meest uiteenlopende verhalen kunt vertellen. PLOT sprak met scenaristen Cecilie Levy, Bert Bouma en Boris Paval Conen over het schrijven van een Telefilm. Vlnr: Bert Bouma, Cecilie Levy en Boris Paval Conen ‘Een sjeik in een bed and breakfast. Dat is een Telefilm waiting to happen.’ Zo werd Fake geboren. Bert Bouma, die samen met Jan Harm Dekker het scenario schreef, weet nog precies wanneer dit zinnetje over tafel vloog. “Ik schrijf voor Flikken Maastricht, waarvan Jan Harm de hoofdschrijver is. Ik was naar het zuiden afgezakt voor setbezoek. Bij het ontbijt kwam het gesprek op de TEFAF, de grote internationale kunstbeurs die jaarlijks wordt gehouden in Maastricht. Rond die tijd zijn er in de hele stad geen hotelkamers meer te vinden. Er komen veel sjeiks, die landen dan op het vliegveld van Maastricht, maar hun privéjets vliegen door naar Düsseldorf, omdat daar voldoende parkeerruimte is voor vliegtuigen. Iemand zei: ‘Als alle kamers vol zitten, zou het zomaar kunnen dat iemand die een B&B runt opeens de deur open doet en oog in oog staat met een sjeik.' Dit idee resulteerde in een romantische misdaadcomedy tegen de achtergrond van een kunstroof."

Fake is één van de zes nieuwe Telefilms die vanaf eind april iedere zondag te zien zijn bij de NPO. De andere titels zijn Hope, De Grote Zwaan, Moos, Op de dijk en Kamp Holland. PLOT nodigde naast Bouma ook Cecilie Levy en Boris Paval Conen uit, de schrijvers van de twee laatstgenoemde films. In een lang, maar levendig rondetafelgesprek spraken zij over de Telefilm in het algemeen en hun eigen scenario’s in het bijzonder. De gesprekspartners ontmoeten elkaar voor het eerst. Best opvallend, want alledrie draaien ze al een tijdje mee in de Nederlandse televisie- en filmwereld. Zo schreef Bouma naast veel dramaseries al eerder drie Telefilms: Bloedbroeders (met Jan Bernhard Bussemaker), Sekjoeritie en Oom Henk. Conen schreef en regisseerde Exit en Undercover. Voor Cecilie Levy is Op de dijk haar eerste Telefilm. “Ik kreeg voor het eerst de kans om een langere boog te maken. Dat is best wel spannend. Ik had wel eens meegeschreven aan een lang project van iemand anders, maar dit was eigen materiaal. Er staat veel druk op. Als je de uitslag krijgt, denk je eerst ‘Jippie!’ maar je weet dat het binnen zes maanden echt op papier moet staan.”

Op de dijk had wel een voorgeschiedenis. Het project werd eerst ingediend voor De Oversteek samen met regisseur Mirjam de With en producent Floor Ontrust, maar er volgde een afwijzing. Toch was het project wel opgevallen en dat bracht de makers ertoe om het plan opnieuw in te dienen, dit maal als Telefilm. “Floor Onrust en Noortje Wilschut van Family Affair stonden aan de wieg van dit project. Ze hadden op het filmfestival in Berlijn een aantal films gezien die zich afspeelden in kleine gemeenschappen. Zij wilden zo’n film ook in Nederland maken. Volendam leek hen een spannende arena en zo kwamen ze op het idee om een film te maken rond de cafébrand die plaatshad in de nieuwjaarsnacht van 2000 op 2001. We wilden geen film maken over hoe het vuur is ontstaan of wiens schuld het was. Het ging meer om de vriendschap tussen twee jongens die door de brand zijn getekend. De één van de buitenkant met zichtbare brandwonden, de ander lijdt aan survival guilt. Wat is de impact daarvan op de vriendschap?”

Conen merkt op dat ook zijn film gaat over ‘overlevenden’. Kamp Holland vertelt het verhaal van een aantal jonge soldaten in Uruzgan. Als een konvooi op een bermbom rijdt, schiet een korporaal een verdachte Afghaan neer. Hierdoor verhoogt hij de druk op de toch al riskante missie. “Er is in Nederlands weinig bekend over de missie Uruzgan. De politiek wilde een opbouwmissie, maar in werkelijkheid waren er tweeduizend soldaten nodig om 85 provinciale opbouwmedewerkers te beschermen. Het werk zit vol met risico’s. Je moet in het leger je individualiteit opzij zetten voor de groep, maar als er iets mis gaat, word je afgerekend als individu.” Het idee voor Kamp Holland kwam voort uit de research die Leopold Witte en Geert Lageveen hadden gedaan voor hun gelijknamige theatervoorstelling. Net als Op de dijk, werd ook Kamp Holland al eerder ingediend. “Het project was een jaar geleden al opgevallen, maar zat toen niet bij de eerste selectie van de Telefilm,” vertelt Conen. ”Zo gaat dat vaak. Ieder jaar sloven een kleine honderd teams zich uit om goede ideeën op te zetten. Daarvan verdwijnen er letterlijk 94 in de vuilnisbak omdat een afgewezen Telefilm zich zelden ontpopt tot een speelfilm.
Er zijn dus heel veel goeie ideeën die liggen te verstoffen. In deze lichting waren ze bij de selectie minder gelukkig met de ingediende projecten. Ze gingen kijken naar afgewezen projecten uit voorgaande jaren en vonden Kamp Holland. Keyfilm was de producent van dat opnieuw ontdekte project en die hebben meteen mij erbij gevraagd. Dat vond ik wel tof.” Aanvankelijk was er een tweede schrijver bij betrokken, maar uiteindelijk is besloten dat Conen het scenario zelf zou schrijven.

Het blijft één jaar

De uiteindelijke selectie levert in ieder geval een gevarieerd aanbod op, met zowel luchtigheid als ernstig drama. ”Ze hadden het thema voor een keer losgaten”, zegt Conen, die daar niet rouwig om was. ”Ik vond die thema’s een beetje geforceerd. Dan loop je rond met een goed idee voor een Telefilm en dan moet het opeens gaan over ‘Boer en landschap’ of ‘Kind en maatschappij’, of dat soort dooddoeners.” Bouma sluit zich daarbij aan, maar snapt wel waarom netmanagers zo’n bindend thema handig vinden. ”Dan is het beter te marketen. ‘Iedere zondag een romantische comedy’, klinkt duidelijker dan ‘Elke zondag een originele Nederlandse film’.” Levy vind het leuk om te schrijven binnen een thema. "Maar dan moet ik drie weken voor de deadline toevallig een idee hebben dat daarbij aansluit. Ik trek niet zomaar een romcom uit mijn hoge hoed. Je zit vaak op het laatste moment iets in elkaar te draaien. Als je een jaar van tevoren weet wat het thema wordt, kun je er een beetje naar toe schrijven.” Bouma vult aan: ”Je weet ook nooit wanneer de oproep komt. Dit jaar was dat bijvoorbeeld op een namiddag vlak voor de feestdagen en er waren maar vijf weken tot de indieningsdatum. Ik hoorde het daarna pas, en toen hadden we nog maar drie weken om iets op te zetten. Het idee achter die krappe deadlines is geloof ik dat dat het uiteindelijk meer schrijftijd oplevert. Maar misschien is het ook wel ontmoedigingsbeleid: het scheelt weer een aantal indieningen.”

Op basis van een idee kun je een heel script ontwikkelen

Volgens Conen is het jaarlijkse streven om het proces te verbeteren.”Dan kijken ze naar ervaringen uit de vorige ronde. Als er klachten waren over de krappe schrijftijd, dan doen ze daar iets aan, maar dat kan dan weer gevolgen hebben voor de montageperiode. Mijn vorige Telefilm moest ik binnen tweeënhalve week monteren, terwijl we nu tweeënhalve maand hadden. Soms gaat er iets af aan de voorkant, soms aan de achterkant, maar hoe je het ook verdeelt, de maakperiode blijft één jaar. Dat komt altijd ongelukkig uit.” Toch zitten daar ook voordelen aan, vindt hij.”Bij de indiening is een Telefilm niet veel meer dan een paar A-viertjes. Eigenlijk is het een uitgebreide synopsis. Wat ik spannend vind, is dat je op basis van een idee een heel script kunt ontwikkelen. Je krijgt niet die hele toestand van treatmentsubsidies, eerste scenario, tweede scenario enzovoorts.”

Volgens Bouma is de Telefilm de snelste manier om iets te maken met de lengte van een speelfilm. “Ik werk aan een project over de Deventer-moordzaak. Ik durfde al niet eens meer te kijken wanneer ik de eerste synopsis schreef. Ik geloof dat we er al vijf jaar mee bezig zijn, vrij gebruikelijk voor een speelfilm. Maar een Telefilm is in één keer gefinancierd. Dat zouden ze vaker moeten doen.”

Haalbaarheid als meetlat

Niet alleen de productietijd is beperkt, ook het budget. Voor de scenarist betekent dat soms dat je tijdens het schrijven rekening moet houden met beperkingen. Een Telefilm moet de uitstalling hebben van een speelfilm, maar dan met net iets minder locaties, rollen of effecten. Dat dit af en toe leidt tot een aderlating ervoer Levy op het moment dat ze het plan dat ze indiende voor De Oversteek moest uitwerken voor het kleine scherm. ”Ik zag aanvankelijk wat meer epische beelden voor me, met veel zee en boten. Daar hechtte ik ook erg aan. Dat soort elementen zijn gesneuveld. Als schrijver hield ik me niet veel bezig met deze wijzigingen. Mirjam heeft vlak voor het draaien een paar keuzes gemaakt die inhoudelijk niet veel verschil maakten, maar waarbij de locatie veranderde en sommige dingen werden samengevoegd.”

Een Telefilm moet de uitstraling hebben van een speelfilm

Conen stond voor de uitdaging om een film die zich volledig in Uruzgan afspeelt te maken ‘met middelen die net voldoende zijn voor een halve speelfilm. Haalbaarheid werd de meetlat. De beperkingen dwingen je om scherpe keuzes te maken over de hoeveelheid scènes die je schrijft, waar het zich afspeelt, hoeveel locaties je kunt gebruiken. Omdat ik bij al mijn Telefilms zowel het definitieve script schreef als de regie deed, zat ik op twee stoelen. Dat maakt het ingewikkeld, want je kunt jezelf niet veroorloven de volledige vrijheid te nemen bij het schrijven. Steeds als je zit te tikken, kijkt de regisseur in je mee omdat je overal productionele beperkingen ziet.” Die beperkingen dwingen je ook tot creatieve oplossingen. En een handige producent doet volgens Bouma soms ook wonderen. Een deel van Fake speelt zich af op een kunstbeurs en dat leek ons duur. Jan Harm en ik hebben die scènes zo geschreven dat je ze kon draaien in een hoekje van een loods. Maar producent Rolf Koot werkt veel in Limburg vanwege Flikken Maastricht en heeft daar goede connecties. Het woord TEFAF mochten we op straffe des doods niet gebruiken, maar een lokale standhouder heeft wel speciaal voor ons een hele gang met sjieke stands gebouwd. Je weet niet wat je ziet! Rolf heeft het dus uiteindelijk veel groter gemaakt. Applaus voor Rolf.”

Positieve ervaringen

Alle drie de schrijvers zijn tevreden over de samenwerking met de omroepen. Belangrijk, vindt Conen, want in tegenstelling tot een regulier speelfilmtraject heeft de omroep een ‘keihard veto’. Levy werkte voor Op de dijk samen met de NTR. “Henk Burger was vanaf het begin onze dramaturg. Marina Blok las als hoofd drama mee. Zij hielp me om de essentie eruit te halen. We hadden heel veel materiaal, maar je zoekt toch altijd naar het hart van je verhaal. Iemand van buitenaf kan dat soms heel goed aanwijzen. Henk zei vooral wat hij leuk vond, wat hij niet leuk vond, moffelde hij een beetje weg. En daar heb je als schrijver veel aan. Er wordt erg vaak gesproken over wat er niet goed is, maar het is minstens zo belangrijk om te weten wat wel werkt. Ik heb hele positieve ervaringen met de omroep, dat mag ook wel eens gezegd worden.” Bouma en Dekker kregen van AVROTROS die Fake uitzendt veel vrijheid. “Er was vertrouwen in onze capaciteiten en dat werkt heel prettig. Mijn stelling is: hoe kleiner het meningencircus, hoe beter het resultaat. Ons project viel onder Marc Waltman en die is heel concreet. Hij vroeg soms om verduidelijking, maar het werd gelukkig nooit detaillistisch hands on dramaturgenwerk.”

Vaak wordt gesproken over wat niet goed is, maar minstens zo belangrijk is te weten wat wel werkt

Bij de Evangelische Omroep, die Kamp Holland uitzendt, werd over de schouder van Conen meegekeken, maar die vond dat juist prettig. Aanvankelijk dacht hij dat de EO zou vragen om het materiaal braver te maken. “Maar Arnoud Bruinier, die het project vanuit de omroep begeleidde, stimuleerde me om rauwer te worden. Hij was een hele goeie pain in the ass, die geen genoegen neemt met ‘dit is het ongeveer’. Vlak voor het scenario moest worden opgeleverd kwam hij tijdens een laatste bespreking tot midden in de nacht nog met aantekeningen. Je voelt aan een script wel eens dat er iets wringt. Het ergste wat je dan kan overkomen is dat mensen zich, met alle goede bedoelingen, verliezen in het aandragen van hun eigen oplossingen. Daar zit je als schrijver niet op te wachten. Je wilt weten wat het probleem is. Daar kon Bruinier heel goed te vinger op leggen, zonder dat hij me iets door de strot duwde.”

Een taak voor de NPO

Bouma, Conen en Levy hopen dat de Telefilms die ze schreven ook na uitzending nog een lang leven hebben. Een bioscooproulement zit er voor deze drie films niet in. Conen: “De producent kwam tot de conclusie dat de film gezien het onderwerp geen grote publiekstrekker zou worden. Hij was wel bijna geselecteerd voor het filmfestival Berlijn, maar heeft het net niet gehaald. Een domper. Als hij daar had gedraaid was het misschien wel gekomen tot een bioscooproulement.” Hij hoopt op andere festivals, maar ziet ook nog een ander circuit. ”De veteranen die Kamp Holland zagen, waren heel blij dat er een film werd gemaakt die laat zien hoe het daar was. Dus misschien wordt de film wel vertoond aan veteranen of binnen defensie.” Levy vindt een roulement in kleinere kring ‘best een optie’. “Ik heb ooit de film Mimoun geschreven, waarvan ik hoopte dat ze hem zouden draaien op scholen. Dat is nooit gebeurd. Wel was hij veel te zien op internationale festivals. Ik weet niet of Op de dijk daar geschikt voor is. Het is een hele Nederlandse film. Ik weet niet of je hem kunt zien zonder voorkennis over de Volendamse cafébrand.” “Zeg nooit nooit”, reageert Bouma. “De Telefilm Oom Henk draaide op een festival in Houston. Ik heb er zelfs een prijs voor in ontvangst mogen nemen. Je kunt je wel eens verkijken op wat de mensen in het buitenland oppikken, maar tachtig procent van de grappen ging erin als koek.” Aanhakend op deze woorden wil Conen nog één ding kwijt. ”We zijn hier extreem op de thuismarkt gericht. Er liggen hier honderd Telefilms op de plank, Het is de taak van de NPO om iets aan de internationale verspreiding te doen, maar ze laten het al jaren versloffen. Het zou veel beter zijn producenten de mogelijkheid te geven dat ze wat kunnen verdienen aan de verkoop van de films aan het buitenland, in plaats van dat alles moet terugvloeien naar het CoBO of NPO. Als de producenten iets kunnen verdienen, zijn ze ook bereid om te investeren. Dat zie je in het kleine Denemarken, dat onwaarschijnlijk groot is geworden op het gebied van films en series.” En ook hier zijn alle tafelgenoten het mee eens.